Aanbod
Buitengewoon onderwijs type IV
| |
Het buitengewoon onderwijs type IV van het Dominiek Savio Instituut vzw biedt aangepast onderwijs aan kinderen en jongeren met een fysieke handicap. Dit kan zowel op het niveau van kleuter, lagere school als secundair onderwijs. |
|
Kinderen met een fysieke handicap voor wie het niet meer haalbaar is onderwijs te volgen in het gewoon onderwijs, kunnen terecht in het buitengewoon onderwijs. Er zijn meerdere types van buitengewoon, afhankelijk van de onderwijsnoden van het kind. Het buitengewoon onderwijs type IV richt zich tot kinderen en jongeren met een fysieke handicap.
Het buitengewoon onderwijs verschilt van het gewoon onderwijs door:
- een meer individuele planning van de opleiding in duur en inhoud;
- kleinere klasgroepen;
- extra omkadering.;
- aangepaste didactische methoden;
- nauwe samenwerking met een semi-internaat en internaat.
Er wordt tevens gratis dagelijks leerlingenvervoer geregeld voor die kinderen en jongeren die woonachtig zijn in de provincie West-Vlaanderen.
Het Dominiek Savio Instituut organiseert buitengewoon onderwijs type IV zowel op:
Binnen het kleuteronderwijs wordt er gewerkt met 3 niveaugroepen. In de eerste niveaugroep is de psychosomatische ontwikkeling van primair belang. In de tweede niveaugroep wordt vooral nadruk gelegd op de psychofunctionele mogelijkheden. In de eerste twee niveaugroepen wordt in minder mate rekening gehouden met het intelligentieniveau van de pedagogische eenheden. In de derde niveaugroep wordt er gewerkt met 2 groepen. Bij de indeling wordt rekening gehouden met de doorstroommogelijkheden in functie van de lagere school : doorstroming naar een onderwijsprogramma met nadruk op leervaardigheden of naar een onderwijsprogramma met nadruk op algemene sociale en maatschappelijke ontwikkeling. Denkontwikkelingsmethodieken nemen een belangrijke plaats in de psychopedagogische aanpak. Per pedagogische eenheid zijn er gemiddeld tussen de 5 à 6 kleuters.
Binnen de lagere school wordt er gewerkt met twee afzonderlijke onderwijsgroepen:
- Binnen de A-groep wordt het leerprogramma van het lager onderwijs aangeboden en richt zich naar kinderen met een fysieke handicap met meestal partiële leermoeilijkheden. In lijn 1 wordt het kernleerprogramma van het lager onderwijs aangeboden voor taal, wiskunde en algemeen vormende vakken. In lijn 2 wordet een vereenvoudigd leerprogramma aangeboden. Het onderwijs gebeurt in de A-groep meestal klassikaal of in groep. Men houdt rekening met de ontwikkelingsdoelen (of eindtermen) van het lagver onderwijs. Ook het ontwikkelen van sociale vaardigheden, kennis, cognitieve vaardigheden, geheugen religieus– en waardenbewustzijn komen aan bod. Daarnaast wordt er grote nadruk gelegd op denkontwikkeling en het ontwikkelen van cognitieve hulpmiddelen zoals werkwijzen strategieën, principes…
- De B-groep richt zich naar kinderen die naast hun fysieke handicap tevens verstandelijke beperkingen hebben, waardoor een aangepast onderwijsprogramma noodzakelijk is. In lijn 1 wordt het accent gelegd op het verwerven van schoolse vaardigheden, zoals elementair lezen, rekenen en schrijven. In lijn 2 wordt vooral gewerkt rond het ontwikkelen van sociale vaardigheden in de sociale leerklassen, zoals zelfredzaamheid, communicatie, maatschappelijk lezen en rekenen, sociaal maatschappelijke projecten. In de denkontwikkeling wordt vooral nadruk gelegd op het verwerven van elementaire cognitieve functies, zoals waarnemen, vergelijken, rubriceren, controleren… De persoonsvorming is tevens belangrijk : zelfbewustzijn, sociaal bewustzijn, waardenbewustzijn…
Binnen het secundair onderwijs worden er drie opleidingsvormen aangeboden:
- OV1 wil jongeren een sociale vorming geven om zo hun integratie mogelijk te maken in een beschermd leefmilieu als volwassenen. Concreet is OV1 er dus voor jongeren die wegens een ernstige (meervoudige) handicap moeilijk zullen kunnen leven in een gewoon milieu. Ze worden voorbereid op een verder verblijf in hun thuismilieu, in een dagcentrum of in een beschermende woonvoorziening. De leermomenten binnen de opleiding zullen aansluiten op concrete leefsituaties en ze zijn gericht op het aanleren van zinvolle bezigheden die leiden tot een zekere zelfredzaamheid. Communicatie en motoriek worden onderhouden en verder ontwikkeld. Hun algemene en sociale vorming hangt af van hun mentale mogelijkheden.
- OV2 bereidt jongeren met een licht mentale handicap of normale begaafdheid, maar steeds met een (licht) lichamelijke handicap, voor op de integratie in een (semi) beschermend leef- en werkmilieu (bijv. beschutte werkplaats).
Het leerprogramma is verdeeld in twee fasen en omvat algemene, sociale vorming (ASV) (zoals communicatie, rekenen en computer) en beroepsgerichte vorming (BGV) (zoals handvaardigheidstraining, tuinbouw, houtbewerking, metaalbewerking).
In de eerste fase ligt het accent op algemene en sociale vorming. Zelfredzaamheid, communicatie en de beheersing van het bewegen en handelen zijn erg belangrijk. De leerlingen worden ook vertrouwd gemaakt met enkele arbeidsgerichte basisvaardigheden zoals het hanteren van gereedschap, het omgaan met verschillende grondstoffen, het organiseren van een werkplaats, ...
Na minimum drie jaar gaan de leerlingen over naar fase twee. De verworven algemene en sociale vaardigheden worden nu getoetst aan buitenschoolse situaties.
Tijdens deze fase is ook de arbeidsgerichte vorming belangrijk, zowel binnen de school als tijdens stages buiten de school. Onze leerlingen lopen stage in een beschutte werkplaats. Er wordt niet alleen getraind op techniek maar evenzeer op arbeidshouding. De werkplek zal wel steeds aangepast moeten worden en er zal steeds begeleiding nodig blijven.
- OV4 biedt onderwijs aan normaal begaafde jongeren die wegens de ernst van hun handicap of wegens de voortdurende medische en paramedische ondersteuning die ze nodig hebben, niet naar het gewoon onderwijs kunnen. In OV4 gelden dezelfde programma's en overgangsvoorwaarden als in het gewoon onderwijs. Na het secundair onderwijs kunnen deze jongvolwassenen zich integreren in het gewone leef- en arbeidsmilieu (ze gaan werken, doen vrijwilligerswerk,...) of ze kunnen verder studeren in het hoger onderwijs.
Dit onderwijsaanbod volgt het gewoon leerplan. Leerlingen krijgen dezelfde leerinhouden onderwezen als in het gewoon secundair onderwijs.
Gedurende jaar 6 en 7 van het BSO (beroepssecundair onderwijs) gaan de leerlingen op stage. Die vindt plaats in een gewone werkomgeving.
De opleiding wordt afgerond met een diploma hoger secundair onderwijs. Dat kan behaald worden na jaar 6 in het TSO (technisch onderwijs) of jaar 7 in het BSO.
Meer informatie over het aanbod binnen het buitengewoon secundair onderwijs van het Dominiek Savio Instituut kan men terugvinden op de website van de school.
Het buitengewoon onderwijs van het Dominiek Savio Instituut vzw werkt nauw samen met het semi-internaat en internaat voor kinderen en jongeren met een fysieke handicap. Dit vormt samen de afdeling schoolgaanden. Een team met mensen van alle disciplines (leerkrachten, therapeuten, opvoeders, medisch personeel en sociaal werkers) wordt gevormd. Dit staat in voor de adequate opvolging van de leerlingen en wordt geleid door een orthopedagoog.
Om deze samenwerking te bevorderen wordt er binnen de afdeling schoolgaanden (12kB - pdf) gewerkt met 6 entiteiten die een eigen teamwerking kennen.
Voorwaarden om beroep te kunnen doen op
het
buitengewoon onderwijs:
- Een inschrijvingsattest met vermelding van het type en opgesteld door een centrum voor leerlingenbegeleiding is noodzakelijk om ingeschreven te kunnen worden in het buitengewoon onderwijs.
Contactpersoon: dhr. B. Sabbe, eindverantwoordelijke opnamebeleid Dominiek Savio Instituut vzw – 051/230.611.
Meer informatie over het buitengewoon onderwijs in Vlaanderen kan men bekomen bij het ministerie van onderwijs.